REFRACTIEAFWIJKINGEN

Vanaf de geboorte groeit het oog en ontwikkelen de visuele functies. Om afwijkingen vast te kunnen stellen is het van belang de normale ontwikkeling te kennen. Vanaf de leeftijd van 6 weken kan een baby een object gericht fixeren. Vanaf 2 maanden kunnen de meeste baby’s een vloeiende volgbeweging maken. Accommoderen (scherpstellen van dichtbij) en convergeren (beide ogen bewegen zich richting de neus) is mogelijk vanaf 3-4 maanden.

Het dieptezicht ontwikkelt zich vanaf 5 maanden tot 3 jaar. Kleuren zien is ontwikkeld op 4-jarige leeftijd. Contrast is ontwikkeld op 6 jaar. Het scherp zien ondergaat een ontwikkeling van 0,05 bij de geboorte tot 1,0 rond de leeftijd van 7 jaar. 

Tijdens deze visuele ontwikkeling is het belangrijk dat kinderen goed kunnen zien met ieder oog afzonderlijk, evenals het leren zien met beide ogen (binoculair zien). Er bestaan 3 graden van binoculair zien: gelijktijdige perceptie (beide ogen ontvangen tegelijkertijd een identiek beeld), fusie (de twee identieke beelden versmelten tot één beeld.) en dieptezicht (in de hersens versmelten de beelden tot één beeld in drie dimensies).

 

De meest voorkomende oorzaken van verminderde visus bij kinderen zijn refractieafwijkingen, amblyopie en strabismus.

REFRACTIEAFWIJKINGEN

Bij een refractieafwijking is het niet mogelijk om scherp te kunnen zien. Om scherp te kunnen zien dienen lichtstralen uit de buitenwereld precies op het netvlies van het oog samen te vallen. 

Bij een normaal oog zorgen het hoornvlies en de lens in het oog ervoor dat bij het zien in de verte een helder beeld ontstaat op het netvlies. 

refractie.jpg

Bij het zien op korte afstand wordt het beeld scherp gesteld door de ooglens (accommodatie). Dit is te vergelijken met het focussen van een fototoestel. 

Wanneer de sterkte van hoornvlies en ooglens niet goed in verhouding staat tot de lengte van de oogbol dan vallen de lichtstralen uit de buitenwereld niet precies samen op het netvlies. Er is dan geen sprake van een oogziekte of zwakte, maar van een refractieafwijking.

Er bestaan verschillende vormen van refractieafwijkingen:

Bijziendheid of myopie

Wanneer het hoornvlies te bol is of het oog te lang, worden de binnenvallende stralen te veel gebroken. Ze vallen dan samen op een punt dat vóór het netvlies ligt. 

Verziendheid of hypermetropie

Het hoornvlies is te vlak of het oog te kort waardoor afbeelden van een voorwerp plaatsvindt achter het netvlies. 

Astigmatisme of cilinder

Het hoornvlies is niet helemaal bolvormig waardoor de breking in de ene richting anders is dan in de andere richting. 

 

Ouderdomsverziendheid of presbyopie

Bij het ouder worden vermindert het vermogen van de ooglens om scherp te stellen voor dichtbij. Ongeveer vanaf het veertigste levensjaar begint dit verschijnsel op te treden. De meeste mensen die tot dan toe geen vertebril nodig hadden, zullen nu behoefte krijgen aan een leesbril.

BEHANDELING

Refractieafwijkingen kunnen gecorrigeerd worden door middel van een bril of contactlenzen.

Brillen

In geval van bijziendheid wordt de bril voorzien van negatieve glazen (-), bij verziendheid van positieve glazen (+).

Om astigmatisme te corrigeren krijgt de bril cilindrische glazen.

 

Er bestaan verschillende soorten brillen en combinaties om het zicht te corrigeren.

  • Een bril voor ver en een andere voor nabij.

  • Een multifocale bril waarbij zowel voor nabij als veraf scherp wordt gesteld met dezelfde bril. Hierbij dient men te wennen aan het scherpstellen van het beeld op een andere afstand door het hoofd te kantelen. 

Lenzen

Ook met contactlenzen kan het zicht worden scherpgesteld.

In principe zijn er twee soorten contactlenzen:

  • harde lenzen: kleine lenzen met een doorsnede van maximaal 9 mm.

  • zachte lenzen: wat grotere lenzen die zacht zijn omdat ze vocht opnemen en zo het draagcomfort verbeteren. Een nadeel is dat er een verhoogd risico op infectie bestaat. Het schoonmaken van de lenzen is dus erg belangrijk.

Van beide soorten lenzen zijn er verschillende soorten uitvoeringen mogelijk.

Indien zowel voor ver als nabij een correctie noodzakelijk is, zijn er twee mogelijkheden. Enerzijds een contactlens voor ver met een leesbril erover voor nabij. Anderzijds een multifocale contactlens waarbij het zicht zowel veraf als nabij wordt gecorrigeerd. Hierbij dient men echter rekening te houden met het feit dat het zicht iets minder scherp wordt.

Een operatie kan een blijvende oplossing bieden. Met een speciale laser, de zogenaamde Excimer-laser, wordt een dun laagje van het hoornvlies verwijderd. Hiermee kunnen lage brilsterkte afwijkingen worden gecorrigeerd. Voor de correctie van hogere brilsterkteafwijkingen kan een ICL (Implanteerbare ContactLens) een oplossing zijn. Deze lens wordt onder lokale verdoving ingebracht achter het regenboogvlies. Een andere mogelijkheid is een Artisan/Artifflex lens, welke wordt bevestigd aan de iris.

refractieve aandoeningen copy.jpg